MONOCULTURE | Een recent verhaal

© M HKA
25 September - 25 April 2021
M HKA, Antwerpen

Deelnemende kunstenaars zijn onder meer: Hannah Höch, Lovis Corinth, Karl Hofer, George Grosz, Carol Rama, Werner Peiner, Belgian Institute for World Affairs, Joseph Beuys, Felix Gonzalez-Torres, Åsa Sonjasdotter, Andy Warhol, Nicole, Hüseyin Bahri Alptekin, Haseeb Ahmed, Sven Augustijnen, Candida Höfer, Papa Ibra Tall, Maryam Najd, David Blandy, Oxana Shachko, Matti Braun, Jos de Gruyter & Harald Thys, Luc Deleu, Jimmie Durham, Catherine Opie, Charlotte Posenenske, Public Movement, Philip Guston, Mladen Stilinović, N. S. Harsha, Lynette Yiadom-Boakye, Rasheed Araeen, Ibrahim Mahama, Kerry James Marshall, Vincent Meessen, Renzo Martens/CATPC, Danny Matthys, Jonas Staal, Sille Storihle, Makhmut Usmanovich Usmanov, Nicoline van Harskamp, Dimitri Venkov, evenals artefacten uit verschillende culturele archieven zoals de Arthur Langerman Archieven voor onderzoek naar antisemitische iconografie (ALAVA) en uit Vlaamse archieven als het AMSAB-Instituut voor Sociale Geschiedenis; Liberas, Centrum voor de geschiedenis van het vrije denken en handelen; KADOC, Documentatie- en Onderzoekscentrum voor Religie, Cultuur en Samenleving en uit het ADVN/Archief voor nationale bewegingen, Documentatie- en Onderzoekscentrum voor het Vlaams nationalisme.

De tentoonstelling MONOCULTURE – Een recent verhaal gaat uit van het idee dat elk begrip van 'multicultuur', een analyse van 'monocultuur' impliceert. Het maatschappelijk concept van monocultuur kan worden gedefinieerd als de homogene uitdrukking van de cultuur van één enkele sociale of etnische groep. Het project wil het begrip monocultuur met een open blik benaderen. Veeleer dan een antithese te poneren wil het streven naar een analyse van wat monocultuur is, en dit onderwerp niet alleen vanuit een historisch, sociaal, cultureel en ideologisch perspectief benaderen, maar ook vanuit een filosofisch, linguïstisch en zelfs agrarisch oogpunt. MONOCULTURE wil een tentatief beeld geven van de verschillende manifestaties van monocultuur, en de manier waarop deze in kunst en propaganda worden weerspiegeld, met als doel tot enkele conclusies te komen die relevant kunnen zijn voor de maatschappij en de cultuur in het algemeen.

In het project komen een aantal kernvragen centraal te staan, waaronder: Wat bedoelen we met monocultuur? Wat motiveert identitaire of nationalistische monocultuurbewegingen die hun samenleving niet pluralistisch kunnen of willen beschouwen, niet alleen in de context van Europa maar ook wereldwijd? Kunnen we positieve of zelfs emancipatorische ambities van de monocultuur situeren? Kan een cultureel homogene maatschappij ook inclusief en transformeerbaar zijn? Wat bevindt er zich in de marge van de monocultuur, en wat wordt er niet getolereerd? Wat kan de positie van kunst zijn binnen de context van de monoculturele ideologie? Of hoe zou kunst er onder de monoculturele ideologie uit kunnen zien wanneer ze tot haar logische eindpunt wordt gevoerd? Het project onderzoekt het relevante verleden tot op de dag van vandaag en richt zich in het bijzonder op deze uitdagende vragen – los van de heersende tendensen en vooringenomenheden van het liberale 'groepsdenken' ­– om noties over cultuur anders te beschouwen dan via de gangbare perspectieven, zoals identiteitspolitiek of postmodern relativisme.

MONOCULTURE wil verkennende configuraties rond kunst, ideeën en propaganda formuleren. Naast verschillende bestaande voorbeelden van door natiestaten gesanctioneerde officiële cultuur, was een van de meest opvallende historische voorbeelden van ideologische monocultuur binnen het culturele domein de beruchte Entartete Kunst-tentoonstelling die in nazi-Duitsland werd gehouden. Het nazisme stelde de modernistische avant-garde als een aberratie voor en zocht in plaats daarvan naar een resoluut etnocentrische opvatting van de cultuur, geïnspireerd op een Grieks-Romeinse beeldtaal. Toch kunnen monoculturele opvattingen over cultuur ook ontstaan uit emancipatorische overwegingen. Sommigen beweren dat een postkoloniale beweging zoals Négritude in Senegal bijvoorbeeld vormen van culturele homogeniteit heeft geïmplementeerd. Dit is een van de vele voorbeeldstudies van waaruit verschillende trajecten en snijpunten rond monocultuur worden verkend, vooral wat hun uitdrukking in kunst en ideologie, vanaf het begin van de 20e eeuw tot nu, betreft.

 

MONOCULTURE – Een recent verhaal maakt deel uit van 'Our Many Europes', een project van de confederatie 'L'Internationale', gesubsidieerd door de Europese Unie.

De tentoonstelling wordt gecureerd door Nav Haq, geassocieerd directeur, M HKA.

De conferentie Considering Monoculture werd georganiseerd door deBuren, M HKA en het Van Abbemuseum, en vond plaats in deBuren, Brussel, op 27 en 28 februari.

Bij de tentoonstelling horen ook twee publicaties: MONOCULTURE – A Recent History, tentoonstellingscatalogus gepubliceerd door het M HKA, en The Aesthetics of Ambiguity – Understanding and Addressing Monoculture, co-edited door Pascal Gielen en Nav Haq, gepubliceerd bij Valiz als onderdeel van de reeks Antennae – Arts in Society.

 

Over de confederatie ‘L'Internationale’

L'Internationale is een confederatie van zeven moderne en hedendaagse kunstinstellingen. L'Internationale wil een ruimte voor kunst binnen een niet-hiërarchisch en gedecentraliseerd internationalisme bieden, vertrekkende vanuit waarden van verschil en horizontale uitwisseling tussen een verzameling culturele agenten die lokaal geworteld en wereldwijd met elkaar verbonden zijn. Het brengt zeven moderne en hedendaagse kunstinstellingen samen: Moderna galerija (MG+MSUM, Ljubljana, Slovenië); Museo Nacional Centro de Arte Reina Sofía (MNCARS, Madrid, Spanje); Museu d'Art Contemporani de Barcelona (MACBA, Barcelona, Spanje); Muzeum Sztuki Nowoczesnej w Warszawie, (MSN, Warschau, Polen); Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen (M HKA, Antwerpen, België); SALT (Istanbul en Ankara, Turkije) en Van Abbemuseum (VAM, Eindhoven, Nederland), en partnerinstellingen HDK-Valand Academie (Gothenburg, Zweden) en het National College of Art and Design (NCAD, Dublin, Ierland). 

 

Over ‘Our Many Europes’

‘Our Many Europes’ is een vierjarig programma (2018-2022) dat tentoonstellingen, openbare programmatie, uitwisseling van erfgoed en institutionele experimenten doorheen de hele Internationale Confederatie omvat. Het programma neemt de jaren 1990 –toen ons huidige Europa geboren werd– als uitgangspunt. Het wil speculatief nadenken over de rol van cultuur als een drijvende kracht achter het zichtbaar maken van wie we zijn en hoe we in de wereld staan.

 

In de pers:

"Every single room of this amazing exhibition functions in a similar way, though with its own specificity: Mapping underlying ideological dichotomies through the combination of the works, the lighting, and the architecture, the juxtapositions show unexpected nuances, sketching an incredibly dense and accurate portrait of our times, accounting for their inner complexities. Presenting the works of forty-two artists next to some famous, controversial, or underestimated theoretical books, magazines, and exhibition catalogues (by the likes of Benedict Anderson, Simone de Beauvoir, G. K. Chesterton, and Friedrich Nietzsche) and improbable but revealing items (A Record from Ronald Reagan to All Californians, distributed for his 1966 gubernatorial campaign), this exhibition is as intense as a whole biennial, while occupying only one level of the museum: a rare stroke of genius." - Yoann Van Parys, ARTFORUM


3D Scan:
Ontdek hier de 3D scan van de presentatie.

Items

Åsa Sonjasdotters Cultivated Stories gaat over de implementatie van monoculturele technieken in de landbouw, en hun ideologische wortels. Het eerste deel van dit werk is een reeks fotografische reproducties die vroege pogingen documenteren om van planten  monoculturen te maken via selectief kweken. De zogenaamde 'zuivere lijn'-selectie werd toegepast door de Zweedse zaadvereniging (Sveriges utsädesförening) die werd opgericht in 1886. De techniek zelf werd uitgevonden door de Deense botanicus Wilhelm Johannsen (1857-1927) toen hij werkte in het chemisch laboratorium van de Carlsberg-brouwerijen in Kopenhagen. Dit laboratorium had gist uit één stam ontwikkeld, wat een gecontroleerd fermentatieproces mogelijk maakte zonder het risico dat het bier zuur werd. Nadat bleek dat deze techniek winstgevend was, begon Johannsen te experimenteren met het equivalent van 'één enkele stam' in planten. Door erwten generaties lang aan inteelt te onderwerpen, was het mogelijk quasi elke genetische variatie te verwijderen. Dit resulteerde in planten die klonen waren, maar er werd aangenomen dat ze de 'oorspronkelijke' of 'zuivere' vorm van de plant hadden bereikt. Gedurende tientallen jaren kweekte de Zweedse zaadvereniging uniforme granen volgens Johannsens techniek. Zo startten ze wat vandaag 'moderne plantenveredeling' wordt genoemd, en wat door legalisatie wordt beschermd. Sinds het UPOV-verdrag van 1961 'voor de bescherming van het verkrijgen van rassen', dat draait rond beperkingen op intellectueel eigendom voor nieuwe planten, zijn voor commerciële teelt alleen uniforme cultivars toegestaan binnen de landen die het verdrag hebben ondertekend, waaronder alle landen van de EU.

 

De film documenteert het werk van de Zweedse plantwetenschapper Hans Larsson, die de resterende variëteiten van genetisch divers erfgoedgraan herstelt. Met de implementatie van moderne plantenveredeling op wereldschaal ging de diversiteit aan granen – die gedurende meer dan tienduizend jaar werden geteeld door boeren – bijna verloren. Genetische variatie in planten is cruciaal voor hun vermogen om zich aan te passen aan nieuwe klimaten en teeltomstandigheden. Vanaf de jaren 1990 heeft Larsson systematisch alle resterende rassen in Scandinavië uitgetest en geteeld. Geselecteerde soorten werden verder geteeld en tot grotere volumes vermeerderd zodat boeren ze kunnen kweken. De vermeerdering en distributie van de zaden wordt georganiseerd binnen de vereniging Allkorn. Erfgoedgranen zijn genetisch te divers om volgens de UPOV-conventie commercieel onder boeren te mogen circuleren. Legaal gezien kan daarom alleen een lid van Allkorn of vergelijkbare verenigingen erfgoedgranen verbouwen en uitwisselen.

With their qualities of surface and repetition, Warhol’s works offer profound critical reflection on the dominance of the American capitalist system of the post-war period. As Warhol once said: “Being good in business is the most fascinating kind of art. Making money is art and working is art and good business is the best art”. It is because of this embrace in Warhol’s art of capitalism – its vast potential, it global reach, and its great capacity to perpetuate both prosaic ‘pop’ culture and global icons – that makes him a key American artist of the post-war period. Often described as a Pop Artist, Warhol has also been described as a protagonist of Capitalist Realism, a term mimicking the Socialist Realism of the USSR. Capitalist Realism is used to describe practices that embody liberal capitalism. The dollar bill and dollar sign were recurring motifs in Warhol’s art since the 1960s, and he would regularly sign dollar bills.

Dollar Sign was a series of prints Warhol originally produced in 1982. After Warhol published his renowned Factory Editions prints, he began collaborating with two anonymous acquaintances from Belgium in 1970 on a second series of prints, including portraits of Marilyn Monroe, with their company Sunday B. Morning. The original idea behind this partnership was to play on the concept of mass production and originality, and the prints would have a black ink stamp on the back saying “fill in your own signature”. The new prints were identical to the Factory Editions and so Warhol was deliberately undermining the strict ‘authenticity’ of Factory Edition prints. At a certain moment, conversations between Warhol and the Belgians faltered, and he started to have second thoughts. However, by this time, he had already handed over the photo negatives, colour codes and other tools used to produce the prints. Printing in Belgium went ahead, retaining the rights to do so. Warhol decided not to pursue the matter. To add to this quirk in Belgian art history, Warhol would even sign some of the Sunday B. Monday prints with: ”This is not by me. Andy Warhol”, which served to increase their value.

The American Indian (Russell Means) is een zeefdruk-en-acryl op doek van Andy Warhol, uit een reeks van achttien beelden die hij in 1976 maakte en die de Amerikaanse activist en acteur Russel Means afbeelden. Means, een lid van het Oglala Lakota-volk, werd in 1973 bekend door zijn leiderschap tijdens de bezetting van de stad Wounded Knee in South Dakota door de American Indian Movement. Het was een protest tegen de vermeende corruptie van de lokale overheid en tegen de manier waarop die indianen (of zoals sommigen verkiezen: native Americans, inheemse Amerikanen) behandelde. De locatie was symbolisch, aangezien Wounded Knee zich exact daar bevindt waar het Amerikaanse leger in 1890 een bloedbad aanrichtte tegen de Sioux. De activisten bezetten de stad gedurende 71 dagen, zich verwerend tegen een belegering van federale politie en FBI, en de actie werd breed uitgemeten in de media. In de jaren 1970 maakte Warhol veel portretten van beroemdheden en mensen die hij bewonderde, over het hele politieke en culturele spectrum. Means sprak Warhol aan in de hoedanigheid van figuur op het kruispunt van activisme, celebrity en populaire cultuur. De representatie van indianen, bijvoorbeeld in Hollywood-films, was algemeen verspreid maar ook controversieel en Warhols popart-versie van Means in traditionele kleding laat zien hoe indianen deel uitmaken van een aparte Amerikaanse culturele iconografie. De Ace Gallery in Los Angeles, die deze reeks in 1977 voor het eerst toonde, droeg $5.000 bij aan de American Indian Movement in ruil voor Means' participatie. Means werd decennia later opnieuw bekend met zijn rol als Chingachgook in Michael Manns The Last of the Mohicans, die in 1992 een Oscar won.

On Monumental Silences is een rubberen afgietsel van het monument voor Pater De Deken in Wilrijk door Jean-Marie Hérain, opgericht in 1904. Deze meest recente aanwinst van de M HKA-collectie is de einduitkomst van de interactieve artistieke reflectie rond de sculptuur uit 1904 door Ibrahim Mahama, gecureerd door Antonia Alampi voor de Antwerpse kunsthal Extra City, in een samenwerking met Middelheim Museum.

In 2015 voorzag het districtsbestuur van Wilrijk het oorspronkelijke beeld reeds van een informatiebord met de historische context ervan, opgesteld in samenwerking met het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren.

Recent zei de Antwerpse kunstenares Otobong Nkanga dat we rond deze sculpturen kunnen samenkomen om de titels en verhalen die met hen samengaan te heroverwegen en zo het gesprek te openen voor een veelheid aan perspectieven, eerder dan één enkel verhaal. Dat is ook de inzet van Ibrahim Mahama.

Pierre Pierre verkent de complexe figuur Léopold Sédar Senghor, de dichter en filosoof die van 1960 tot 1980 Senegal's eerste verkozen postkoloniale president was. Twee sets van 10 prenten, respectievelijk Pierre Pierre en Pierre genoemd, brengen verschillende referenties samen, van Senghor, over het surrealisme, tot Arno Breker en zijn voorstel voor een monument voor Afrikaanse bevrijding in Dakar en het maskermotief van de affiche voor het eerste Festival des Arts Nègres in Dakar in 1966, of de afbeelding van een sculptuur die op het festival werd getoond. Andere prints zijn suggestiever, zoals het gekleurd licht dat weerkaatst op een marmeren vloer (of een zandstrand). Het is aan ons om dit web van associaties te interpreteren die Braun verzamelde tijdens zijn onderzoek naar Senghors leven en naar de négritude-beweging, waarvan Senghor een van de belangrijkste protagonisten was. De installatie bevat twee foto's en een reeks abstracte schilderijen die gemaakt zijn met verf op ruwe zijde. Braun liet de kleuren vrij uitlopen en zich vermengen. Het is een verwijzing naar hoe persoonlijkheden zich ontwikkelen en transformeren, terwijl ze tegelijk beïnvloed worden door andere denkers of krachten van buitenaf.

Felix Gonzalez-Torres was in de jaren 1980 en 1990 in de Verenigde Staten actief als kunstenaar. In 1996 stierf hij vroegtijdig aan AIDS. Gonzalez-Torres maakte kunst tijdens de periode van de zogenaamde 'culture wars' in Amerika, die de samenleving ideologisch polariseerden rond belangrijke sociaal-politieke relevante onderwerpen. Hij creëerde kunstwerken vanuit een duidelijk politiek bewustzijn: kwesties als abortusrechten, de plaats van religie, seksuele vrijheid, censuur, wapens, eigendom en privacy waren (en zijn nog steeds) een strijdtoneel tussen 'progressieven' en 'conservatieven' bij het bepalen van individuele rechten en vrijheden. Het werk ‘Untitled’ werd in 1994 gemaakt in opdracht van modeontwerpster Agnès b. als een t-shirt in gelimiteerde oplage. Op de achterkant van elk T-shirt staat ‘NOBODY OWNS ME’, in het groen gedrukt. Eigendom was een terugkerend thema in het werk van Gonzalez-Torres, zowel op conceptueel als op politiek vlak. Ronald Reagans versie van modern conservatisme had een diepgaand effect op de Amerikaanse samenleving, met de introductie van een neoliberale economie en een wetgeving die bedoeld was om de grenzen te bepalen van een soort 'individueel kapitalisme', dat in het bijzonder vrouwen en homoseksuelen en andere minderheden trof. De kunstenaar verklaarde: “Hoe kunnen we praten over privégebeurtenissen, wanneer ons lichaam wettelijk vastgelegd werd door de staat? We kunnen misschien praten over privébezit.” Untitled is een uiting van verzet tegen de ideologische controle over lichamen en individuen.

Deze video documenteert de samenwerking tussen Renzo Martens en de coöperatieve CATPC/Cercle d'Art des Travailleurs de Plantation Congolaise (Kunstcirkel van Congolese-Plantagewerkers). Plantages hebben sinds de koloniale tijd grote rijkdom gecreëerd voor een paar westerse families, waaronder een paar die musea in hun eigen naam hebben opgericht of gesteund, zoals Tate in Engeland en Ludwig in Keulen. De werken van de CATPC worden gemaakt in de White Cube in de Congolese stad Lusanga. Dit kunst- en onderzoekscentrum middenin de Congolese plantages werd pro bono ontworpen door het Office for Metropolitan Architecture (OMA), mede-opgericht door Rem Kolhaas, en omvat een typische 'white cube'-museumruimte – voorlopig nog zonder dak. De locatie is symbolisch. Lusanga, voorheen Leverville, werd gesticht als Unilevers eerste palmolieplantage. Hier heeft Unilever land in beslag genomen en met geweld monoculturele landbouwpraktijken en unfaire arbeidsomstandigheden opgelegd. Unilever heeft ook naam gemaakt als belangrijke kunstmecenas.

In dit lopend project maken de vijftien leden van CATPC zelfportretten uit modder, die vervolgens in 3D worden gescand en in Amsterdam, de grootste cacaohaven ter wereld,  worden gereproduceerd in chocolade. De verkoop van de chocoladesculpturen heeft tot dusver steeds winst opgeleverd, en daarmee heeft men 85 hectare land rond de White Cube  teruggekocht. De leden cultiveren er ecologische en inclusieve tuinen, en dus geen monocultuur. De monocultuur van de homogene, modernistische witte kunstkubus verschaft dus het kapitaal om land terug te winnen en te zegevieren op die andere monocultuur – die van de industriële landbouw.

Chocoladeportretten van CATPC zijn ook te koop in de museumwinkel. Alle opbrengsten gaan naar de CATPC, zodat die nog meer hectares land kan kopen, waarop dus ecologische voedseltuinen zullen aangelegd worden.